Tijdens de ledenraadvergadering van de KNVvL op 25 november 2015 is Ronald Schnitker benoemd als voorzitter van de KNVvL. De ledenraad stond unaniem achter de keuze van de nieuwe voorzitter en heeft vertrouwen in de komende periode.

De nieuwe voorzitter zit vol met ambitie en visie om richting te geven aan de organisatorische veranderprocessen binnen de 15.000 leden tellende vereniging. Hij treedt aan op een moment dat het ongehinderd uitoefenen van luchtsporten in Nederland steeds moeilijker wordt.

Ronald dankte scheidend voorzitter Frits Brink voor zijn tomeloze inzet in de afgelopen jaren. Frits Brink zal zich als lid van de FAI Board op internationaal niveau blijven inzetten voor luchtsporten.

Onder leiding van Frits heeft de vereniging weer de positie gekregen om de belangen van luchtsporters te kunnen verdedigen en zijn we een volwaardige gesprekspartner van de overheid. Ook is de organisatie van het verenigingsbureau geprofessionaliseerd en opgewassen tegen de taken die het uit moet voeren.

Voorzitterswisseling

Ronald Schnitker sprak na de voorzitterswisseling de volgende woorden:

"Toen ik 50 jaar geleden begon met zweefvliegen, was het beoefenen van een luchtsport nog ongecompliceerd. De voorschriften die je moest weten pasten op twee A4’tjes, het luchtruim was vrij en open. Zeker in het weekend kon je vrijwel overal zonder beperkingen naar toe vliegen. Navigeren deed je op een Shell-autokaart.

Dat beeld is nu drastisch veranderd. Grote delen van het luchtruim zijn ingenomen door civiele- en militaire verkeersleiding. Een overlandvlucht in het Nederlandse luchtruim is nu echt een uitdaging. Ook de regelgeving is complex en onoverzichtelijk geworden en op de grond verliezen we als luchtsporters letterlijk meer terrein. Een nieuwe luchtsport als paramotorvliegen stuit tegenwoordig op grote weerstand van provinciale overheden. En ook het vestigen van een eenvoudig terrein voor modelvliegen stuit op vele obstakels. Als dit zo doorgaat komt de tijd dat we straks alleen nog in het buitenland onze luchtsporten kunnen beoefenen.

Daar ligt voor mij de persoonlijke uitdaging: het tij te keren. Dit vergt overleg met de overheid, maar als het niet anders kan moeten we juridische procedures niet schromen.

Binnen de KNVvL staat ook het nodige te gebeuren. Ik ben blij met het rapport van de Werkgroep organisatiestructuur KNVvL, waarin voorstellen worden gedaan om de KNVvL organisatorisch beter te laten functioneren. Of en in welke vorm deze voorstellen zullen worden overgenomen, vraagt een veranderproces waartoe binnenkort de eerste stappen zullen worden gezet.

Ik ben er zelf een groot voorstander van dat verantwoordelijkheid en uitvoering van processen zo dicht mogelijk bij de afdelingen komt te liggen. Afdelingen dienen een eigen beleid te voeren met een eigen programma, waar zij zelf verantwoordelijk voor zijn. Centraal wat moet en decentraal wat kan. Het opstarten van een strategisch beleidsproces, waarin afdelingen en verenigingsbureau hun doelen en hoofdactiviteiten uitzetten, is van groot belang om te bepalen waar we met de KNVvL naar toe willen.

Maar al te vaak hoor ik, in het land, van KNVvL-leden dat ze nauwelijks weten wat de KNVvL van hun contributiegelden doet en waarom ze daar aan bij zouden moeten dragen. Dat zegt natuurlijk iets over de communicatie tussen bondbureau, afdelingen en leden. Ook daar ligt een uitdaging hier verbetering in aan te brengen.

Maar waar het vooral op aankomt is dat organisatie breed een cultuur ontstaat van openheid, respect en vertrouwen. Daar zal ik mij voor inzetten".