Bij besluit van 28 juli 2014 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor de duur van vijf jaar, voor het tijdelijk inrichten en gebruiken van een terrein in de gemeente Oudenrijn ten behoeve van de Modelvliegclub Midden-Nederland.

Bij uitspraak van 16 april 2015 heeft de rechtbank het door [verzoekster] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 28 juli 2014 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven.

Tegen deze uitspraak heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld. Zij heeft voorts de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Ter zitting van de voorzieningenrechter is gebleken dat [verzoekster] niet wenst mee te werken aan het alsnog verrichten van een onderzoek naar de gevolgen van het modelvliegen door de Modelvliegclub Midden-Nederland op specifiek haar veestapel.

De voorzieningenrechter deelt voorshands het oordeel van de rechtbank, dat bij gebreke van een nadere onderbouwing, het hiervoor vermelde standpunt van [verzoekster], dat specifiek haar soort koeien anders reageert op modelvliegen en zij daardoor zichzelf en elkaar verwonden, alsmede daardoor overige schade veroorzaken, onvoldoende is onderbouwd. Anders dan [verzoekster] stelt, is hetgeen zich reeds in het dossier bevindt daartoe naar voorlopig oordeel onvoldoende. Gelet op het voorgaande, alsmede nu niet is gebleken dat [verzoekster] een belang heeft dat in verhouding tot de belangen van de modelvliegclub dermate zwaar weegt dat in afwachting van de uitspraak in het hoger beroep de rechtsgevolgen van het besluit van 28 juli 2014 niet zouden mogen gelden, bestaat geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

Deze zaak werd behandeld door KNVvL vicevoorzitter Ronald Schnitker en Huib van Putten.