Op donderdag 8 februari 2018 heeft bij de bestuursrechter van de rechtbank Den Haag de zitting plaatsgehad van de beroepsprocedure die de KNVvL had aangespannen tegen een zestal toegang beperkende besluiten van de staatssecretaris Economische Zaken (thans: Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit). In deze besluiten wordt het overvliegen van een groot aantal Natura 2000-gebieden in de provincie Zeeland voor de burgerluchtvaart beneden de 300 meter verboden. Alleen in geval van operationele noodzaak mag hiervan afgeweken worden.

In het aanvankelijke besluit was alle burgerluchtvaart verboden, maar in de beslissing op het bezwaarschrift van de KNVvL werden drones en zweefvliegtuigen van het verbod uitgezonderd. Naast de KNVvL hebben ook AOPA en Zeeland Airport BV aan de zitting deelgenomen. KNVvL-voorzitter Ronald Schnitker en Ronald Overdijk behartigden de belangen van de KNVvL.

Door de KNVvL is betoogd dat het invoeren van hoogtebeperkingen door het ministerie van LNV niet alleen een inbreuk vormt op het gesloten stelsel van luchtvaartregels, maar bovendien onwenselijk is omdat de hoogtebeperkingen nergens in de daarvoor geëigende luchtvaartpublicaties gepubliceerd staan, hetgeen niet in het belang is van de vliegveiligheid.

Naar de mening van de KNVvL wordt de minister van Infrastructuur en Waterstaat in de Wet luchtvaart aangewezen als enige bevoegde autoriteit voor de burgerluchtvaart, die deze bevoegdheid uitoefent in overeenstemming met de minister van Defensie. Nergens wordt in de huidige luchtvaartregelgeving, noch in de gepubliceerde luchtruimvisie de minister van LNV aangewezen als medebeheerder van het Nederlandse luchtruim.

De begrippen ‘burgerluchtvaart’ en ‘operationeel noodzaak’ leverden tijdens de zitting de nodige discussie op. Het is voor de KNVvL onbegrijpelijk waarom alleen drones en zweefvliegtuigen van het verbod zijn uitgezonderd en niet ongemotoriseerde luchtvaartuigen als zeilvliegtuigen, schermvliegtuigen, modelzweefvliegtuigen terwijl dergelijke luchtvaartuigen, evenals drones en zweefvliegtuigen, nauwelijks effect op de omgeving hebben. Volgens het ministerie van LNV, zo gaf de vertegenwoordiger tijdens de zitting aan, is alleen beoogd de recreatieve luchtvaart te beperken en niet de commerciële burgerluchtvaart en ook niet de militaire luchtvaart.

Ook is niet duidelijk wat de minister van LNV bedoelt met ‘operationele noodzaak’. Wie bepaalt uiteindelijk of er sprake is van een operationele noodzaak als rechtvaardiging om van de hoogtebeperking af te wijken. Naar de mening van de KNVvL gaat het hier om een open begrip dat ongetwijfeld gaat leiden tot vele rechtszaken en de rechter dit begrip geleidelijk aan mag inkleuren.

De uitspraak is te verwachten over zes weken.