homepage
sitemap links english inloggen colofon
 
homepage
homepage
homepage schermvliegen-nieuws
schermvliegen-nieuws
 
 
Lid worden van de KNVvL
 
 

Verschillen in techniek

Verschillende Luchtsporten

Schermvliegers worden regelmatig verward met parachutisten. Dit is goed te begrijpen, omdat beiden gebruik maken van doek en lijnen. Schermvliegen en parachutespringen zijn echter geheel verschillende sporten! Een sport die veel dichter bij het schermvliegen ligt is deltavliegen. Delta’s zijn wel duidelijk te onderscheiden van schermvliegtoestellen, maar ook tussen deze twee sporten zijn grote verschillen. Daarom volgt hier een uitleg over de verschillen tussen de disciplines.

Schermvliegen of Parachutespringen
Een schermvlieger is ontworpen voor zweefvliegen. Een parachute is ontworpen om na een vrije val te kunnen openen en zo de valsnelheid te verminderen en dus veilig te kunnen landen. Een van de belangrijkste verschillen is dat bij schermvliegen met een geopende, vliegende schermvlieger wordt gestart. Bij parachutespringen is de parachute tijdens het springen opgeborgen en wordt pas geopend op het moment dat de val geremd moet worden. Met andere woorden: een parachutist gaat naar beneden met een gesloten scherm, een schermvlieger gaat omhoog met een geopend scherm.

Visueel is het verschil duidelijk te zien. Parachutes zijn klein en hebben grote luchtkamers. Schermvliegtoestellen zijn groter en “slanker”. Met de slankheid wordt bedoeld de verhouding tussen de spanwijdte en de gemiddelde afstand van de voor- naar de achterzijde van de vleugel. Let in de afbeeldingen hieronder op de verhouding tussen het schermvliegtoestel/piloot en de parachute/parachutist. Een schermvliegtuig kan door haar veel grotere slankheid vanaf dezelfde hoogte een veel grotere afstand afleggen dan een parachute en blijft langer in de lucht.

Het slankere scherm van een paraglider is gemaakt om te zweven

De parachute is gemaakt om na een vrije val in de lucht te openen en te landen

Bij schermvliegen "spring" je dan ook niet van een berg, maar je start al lopend van een glooiende helling tot het scherm je van de grond tilt en je vliegt. Of je start aan een lier, iets dat met een parachute niet of nauwelijks mogelijk is.

Schermvliegen of Deltavliegen
Een schermvliegtuig krijgt zijn vorm door de wind. De vleugel bestaat uit luchtkamers (cellen) die zich met lucht vullen. Een deltavliegtuig (zeilvlieger, hangglider) is een zweefvliegtuig van stevig doek met een aluminium frame dat voor de start opgebouwd wordt. Opgevouwen wordt een deltavliegtuig in lange zak van een paar meter vervoerd en het geheel weegt enkele tientallen kilo´s. Een scherm is een stuk eenvoudiger te vervoeren. Opvouwen, in een grote pakzak doen die je vervolgens op je rug mee kan nemen. Een standaard pakzak worden op vliegvelden meestal ingecheckt als normale bagage of sportbagage.

Een delta is vrij gemakkelijk te starten, en daarbij minder gevoelig voor windvariaties dan een schermvlieger.Ook kunnen delta’s bij hogere windsnelheden starten. De prestatie van een delta is beter dan dat van een schermvliegtoestel, met name wat betreft glijhoek en topsnelheid. Ook is hij door zijn aluminium frame minder gevoelig voor turbulentie, zodat hij nog veilig kan vliegen bij weercondities die voor een schermvlieger riskant zouden zijn.

Hangglider

Aan deze hogere prestaties zit een nadeel. Een zeilvlieger moet, vóór er mee gevlogen kan worden, opgebouwd worden, wat een minuut of 20 à 30 kan duren. En na een landing moet de delta weer worden ingepakt, wat tevens enige tijd in beslag neemt. Een schermvliegtoestel kan in 5 minuten gereed zijn voor gebruik, en het inpakken kan in nog kortere tijd. Als er dus weinig thermiek te vinden is, kan een schermvlieger vaker starten en landen in dezelfde tijd. Daarnaast heeft een delta, door zijn hogere vliegsnelheid en vlakke glijhoek, een groter terrein nodig om veilig te kunnen landen. Een schermvlieger heeft aan een vrij klein veldje genoeg.

Een schermvlieger is goedkoper dan een delta; een delta heeft daarentegen een hogere restwaarde omdat het zwaardere doek minder snel verweert, zodat een delta meer jaren mee gaat. Een schermvlieger kan, in thermiek, door zijn lagere vliegsnelheid kleinere cirkels draaien en daardoor in sneller stijgende lucht blijven dan een delta, en dus zelf sneller stijgen. Delta´s en schermvliegers kunnen beide te voet van een helling starten, en opgelierd worden. Delta´s kunnen ook nog worden opgesleept achter een ultralight, en dus een grotere starthoogte bereiken. Dat gaat met een schermvliegtoestel niet.

Dus een delta bied wat meer mogelijkheden als het gaat om weersomstandigheden en startmethoden, maar is door de hogere kosten, en de langere tijd die het kost om op te bouwen en in te pakken, en het lastiger transport misschien minder aantrekkelijk. De prestaties van schermvliegtoestellen worden steeds hoger en beginnen langzaam aan in de buurt van delta´s te komen.

Verschillen binnen het schermvliegen

Materiaal
Schermvliegtoestellen zijn er in allerlei maten en soorten. Ze zijn er van kleine speed-schermen tot grote tandem-schermen voor het vliegen met zijn tweeën. Voor de leek is het lastig om de verschillende klassen toestellen te onderscheiden. Ze hebben allen de typische gebogen vorm en alleen in de grootte zijn de verschillen duidelijk zichtbaar. Maar er zijn enorm veel verschillen tussen de klassen schermvliegtoestellen. Er wordt vaak gesproken in termen als LTF of EN types. De LTF (voorheen DHV)en EN zijn normeringen die aangeven hoe vriendelijk, fel, prestatiegericht of agressief een scherm reageert. Over het algemeen is een klasse scherm aan de ‘slankheid’ te zien. De slankheid wil zeggen de vleugelspanwijdte gedeeld door de gemiddelde koorde (afstand van voor naar achter) van een scherm. Hoe hoger dit getal, hoe slanker (meer vleugelspanwijdte en minder koorde) de vleugel is, des te hoger de klasse en de eisen die aan de piloot gesteld worden. In de LTF en EN normeringen wordt de volgende onderscheiding aangegeven:

EN A / LTF 1:     Vriendelijke schermen die weinig inklappen (een schermvliegtoestel heeft geen frame!), of wanneer ze inklappen zonder actie van de piloot vanzelf binnen een paar seconden weer opengaan. Ter compensatie wordt er ingeleverd op de prestatie van deze schermen. Meestal zijn schoolschermen van het EN A / LTF1 type.

EN B / LTF1-2:   Schermen voor zelfstandige piloten die niet heel vaak vliegen en/of kiezen voor vriendelijke schermen die niet te veel inspanning kosten om te besturen. De prestatie is al wel een stuk hoger dan bij EN A / LTF 1 schermen

EN C / LTF 2:     Bij deze klasse gaat het al meer om prestatie. De passieve veiligheid is hierdoor minder. Om uit een noodsituatie te komen is een handeling van een piloot af en toe nodig. Dit soort schermen zijn niet voor de beginnende piloot weggelegd! Ook als je maar af en toe vliegt is een EN B / LTF 2 scherm af te raden. Je zou onprettig verrast kunnen worden!

EN D / LTF 3:     Echte prestatieschermen. Om deze schermen te besturen is veel vaardigheid en inspanning nodig. Schermen van deze klasse kunnen nerveus zijn en het zal je bij sommige types moeite kosten om het scherm uit een noodsituatie te halen.

Boven EN D / LTF 3 bestaat er nog een klasse, die van competitieschermen. Deze schermen zijn als het ware de formule 1 van de schermvliegwereld. Vaak vinden goed werkende technologieën van “comp-schermen” hun weg naar de produktieschermen van een lagere klasse.

Het goed kunnen vliegen heeft overigens maar voor een klein deel met het soort (klasse) scherm te maken! Het meeste komt aan op de piloot. Er zijn mensen die alsmaar hogere klassen wensen te vliegen. Wanneer dit gedaan wordt in de hoop beter te gaan presteren, is het eerder aan te raden om meer te oefenen en de theoretische kennis op te schroeven dan om een hoog geclassificeerd scherm te kopen. Het leren kennen van je scherm kost tijd, maar je leert wel de limieten en mogelijkheden van je scherm kennen! Hierdoor zal de vaardigheid enorm omhoog gaan. Het is bekend dat mensen aan hun EN B / LTF 1-2 scherm meer dan 200 km ver kwamen. Een kwestie van goede “pilotage”.

Lierstart of bergstart
Het starten aan de lier verschilt zeer sterk van een bergstart. Het starten aan de lier kost wat meer organisatie en er zullen altijd drie personen aanwezig moeten zijn; de piloot, de lierman en de starthulp. Wanneer de lierkabel is aangekoppeld kan je starten. Er wordt om voorspanning gevraagd zodat de kabel ingetrokken wordt wanneer je gaat lopen/rennen. Je trekt het scherm omhoog, controleert en versnelt. Als het scherm goed boven je staat vergroot de lierman de spanning op de kabel en trekt je de lucht in. Het is dan de bedoeling dat je recht naar de lier toe vliegt, terwijl je hoogte wint. Eenmaal op maximale hoogte wordt de spanning van de kabel gehaald en kan je ontkoppelen om vrij rond te vliegen. Een lierstart wordt dus gecoördineerd uitgevoerd.

In de bergen is het starten geheel aan jezelf. Je legt je scherm uit, controleert of alles goed zit, wacht je moment af en trekt het scherm omhoog. Ook hier controleer je altijd of het scherm naar tevredenheid boven je staat voor je begint met versnellen. Je moet bij het starten in de bergen er rekening mee houden dat er minder helpende ogen op jouw start gericht zijn en er dus veel meer zelfstandigheid bij komt kijken. Dat neemt niet weg dat waar of hoe je ook start, de verantwoordelijkheid voor een veilige vlucht altijd bij jou als piloot ligt.

Thermiekvliegen of soaren
Thermiekvliegen en soaren zijn twee volstrekt verschillende vormen van vliegen. Bij thermieken tracht je opstijgende lucht te vinden, om daar al draaiende in mee omhoog te gaan. Thermiek ontstaat doordat de zon de aarde verwarmt, die vervolgens de laag lucht erboven verwarmt. Het soortelijk gewicht van warme lucht is kleiner dan dat van koude lucht, dus wil de warme lucht omhoog. Deze warme lucht komt niet zo maar overal tegelijk los van de grond, maar in de vorm van “bellen”. Om los te komen is een “trigger” nodig, een obstakel waar de lucht tegenop geduwd wordt, of een verschil in de soort grond, een rivier of beekje of een rijdende auto of trein die de lucht beroerd. Er zijn verhalen van piloten die een kudde schapen volgen. De schapen zorgen er voor dat de warme lucht loslaat en gaat stijgen. Het is bij het thermieken dus zaak dat je de “triggers” weet te zien en kan voorspellen dat daar thermiek loskomt.

Bij het soaren wordt gebruik gemaakt van de luchtstroom die tegen een obstakel opblaast. In Nederland wordt dit voornamelijk bij zee, aan de duinen gedaan. Maar de bergen zijn natuurlijk ook prima obstakels waar de lucht tegenop geblazen kan worden. In de stijgende lucht nabij het obstakel kan dan gezweefd worden. Een ongemotoriseerd luchtvaarttoestel (schermvliegtoestel, delta, zweefvliegtuig) daalt altijd in de lucht, er is ten slotte geen voortstuwing. Als de lucht die tegen een obstakel opblaast net zo hard stijgt als dat jij daalt, blijf je dus op dezelfde hoogte hangen. Aan de Nederlandse kust boven de buitenste duinenrij is het zelfs mogelijk uren lang te blijven hangen en te soaren als de meeuwen doen!

In de bergen kom je vaak een combinatie van soaren en thermiekvliegen tegen. Al soarend langs een bergwand kan je ‘wachten’ tot je een thermiekbel tegenkomt. Zak je vanuit de hoogte weer terug, dan kan je weer al soarend wachten tot de volgende thermiekbel … enzovoorts.

Overlandvliegen of Acro
Overland vliegen (of Cross Country  - XC - in het Engels) wil zeggen dat je ergens opstijgt om vervolgens weg te vliegen. Het is mogelijk dat je een driehoek wilt vliegen, om weer te landen op of nabij de plaats waar je vertrokken bent, of juist zo ver mogelijk met de wind mee wilt drijven. Hiervoor is – met name in Nederland – een degelijke kennis in de luchtruimindeling en natuurlijk de meteorologie nodig. Overland vliegen wordt door vele schermvlieg piloten gezien als het summum van schermvliegen. In Nederland heb je voor het zelfstandig overland vliegen brevet 3 lier nodig.

Acro, of acrobatiekvliegen is natuurlijk volstrekt anders. Het is mogelijk hele steile bochten te draaien waarbij je ongeveer boven je scherm uitkomt, het scherm als helikopterwieken boven je hoofd te laten draaien of een volledige ‘roll” te maken. De beste acro-piloten in de wereld kunnen zelfs loopings – de infinite tumble genaamd – maken. Om zo ver te komen hebben ze echter veel opzij moeten zetten om erg veel te trainen. Ook duren de vluchten een stuk korter dan een overlandvlucht. Je kunt acro, evenals de wereldkampioenschappen overland vliegen gerust topsport noemen.

 
 
 
 
B-lijn magazine
 
Xaraonline.com
knvvl.nl/leden/lidworden
Xaraonline.com
Deze site is gebouwd met SiteEngine van Refresh Media