In februari mochten wij melden dat een ambtenaar van Verkeer & Waterstaat zich in onze ogen in vele bochten had moeten wringen om een lid van de KNVvL te voorzien van een bewijs waaruit zou moeten blijken dat hij bevoegd was een mobiel radiostation in de luchtvaartband te bedienen.
De Procedure
De KNVvL heeft getracht een beeld te schetsen hoe een en ander in zijn werk moet zijn gegaan.
Thans zijn wij er door IV&W op attent gemaakt dat de gevolgde procedure niet de juiste is geweest en dat hier sprake is van een incident.
Betrokkene had een certificaat moeten ontvangen, zoals door de wetgever vastgelegd in de Wet Luchtvaart bedoeld.
De werkelijkheid
Het 'probleem' is in 2004/2005 al voorzien en opgelost in artikel 11, derde lid van het Besluit bewijzen van bevoegdheid:
De artikelen 2.2, tweede lid, en 5.17 van de wet zijn niet van toepassing op degene die een luchtvaartuig als bedoeld in het eerste lid* bedient of een solovlucht als bedoeld in onderdeel k van dat lid uitvoert, en houder is van een certificaat dat door een door Onze Minister daartoe aangewezen opleidingsinstelling is afgegeven en waaruit blijkt, dat die houder bevoegd is tot het bedienen van een grondstation of een mobiel station in de luchtvaartmobiele band als bedoeld in artikel 5.17 van de wet.
* hier staan o.a.: bedienen van een zweefvliegtuig
De artikelsgewijze toelichting zegt hierover:
Op grond van artikel 5.17 van de Wet luchtvaart is voor het bedienen van een vast of mobiel radiostation in de luchtvaartmobiele band een bewijs van bevoegdheid nodig, dat door de Minister van Verkeer en Waterstaat wordt afgegeven. De daartoe strekkende RT-bevoegd-verklaring dient, op grond van artikel 2.2 tweede lid van de wet, op het bewijs van
bevoegdheid te zijn weergegeven.
Echter, ter vermindering van de administratieve lastendruk is met ingang van 1 oktober 2004 voor de ongemotoriseerde luchtvaart en de snorvliegers het verbod tot het bedienen van die luchtvaartuigen zonder bewijs van bevoegdheid geschrapt en worden die bewijzen van bevoegdheid door de minister niet meer afgegeven. Hiermee ontstond met name voor de
zweefvliegers een probleem. Immers, aan hen worden niet langer bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaringen verstrekt. Het nieuwe derde lid van artikel 11 beoogt voor diegenen, voor wie het hiervoor omschreven verbod is opgeheven, aan dit probleem tegemoet te komen. Met het hier geïntroduceerde certificaat is het ook voor deze categorieën vliegers en ballonvaarders mogelijk te voldoen aan de eisen gesteld in artikel 5.17 van de wet.